Phishing en de voorlopige terugbetalingsplicht van banken

Wat zegt de recente rechtspraak?

Wanneer u het slachtoffer wordt van phishing en er onuitgegeven bedragen van uw rekening verdwijnen, verwacht u kordaat optreden van uw bank. Toch durven banken een terugbetaling soms te weigeren op basis van zogenaamde ‘adequate motivatie’ of ‘vermeende grove nalatigheid’. Maar mag dat zomaar?

Een recente en “baanbrekende” beschikking van de voorzitter van de Ondernemingsrechtbank te Antwerpen van 26 mei 2026 zet de puntjes op de i en herinnert de bankensector aan haar strenge wettelijke verplichtingen.

De zaak: bijna € 50.000 ontvreemd via phishing

Na een ernstig phishingincident waarbij van de rekeningen van een echtpaar twee overschrijvingen voor in totaal € 49.958,00 naar een Portugese rekening werden uitgevoerd, vorderden de rekeninghouders in kort geding de onmiddellijke terugbetaling van het bedrag op grond van artikel VII.43 van het Wetboek Economisch Recht (WER).

De bank weigerde echter de som terug te betalen. Volgens de financiële instelling waren de transacties rechtmatig omdat de gebruikelijke sterke authenticatieprocedures (MFA) waren doorlopen. Subsidiair riep de bank de ‘grove nalatigheid’ in.

Wat oordeelde de rechter in kort geding?

De voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Antwerpen verklaarde de vordering van de betalers gegrond en gaf hiermee de rekeninghouders gelijk. De kern van de beschikking laat weinig ruimte voor interpretatie:

  • “Pay first, argue later”: Artikel VII.43 WER legt banken een onmiddellijke en voorlopige terugbetalingsverplichting op bij niet-toegestane transacties. Dit betekent dat de bank de verplichting heeft om betalingen die zonder toestemming zijn verricht onmiddellijk, en in elk geval uiterlijk tegen het einde van de eerstvolgende werkdag, terug te storten op de rekening van de gebruiker.
  • Strikte uitzondering (fraude): De enige wettelijke uitzondering betreft een vermoeden van fraude door de betaler zelf. De bank mag de terugbetaling opschorten wanneer hij redelijke gronden heeft om fraude door de betaler zelf te vermoeden én hij deze gronden schriftelijk meedeelt aan de FOD Economie.
  • 2 Fases: Het wettelijk systeem is binair opgebouwd. Eerst volgt de onmiddellijke terugbetaling door de bank (art. VII.43 WER), daarna komt pas de vraag wie het definitieve verlies moet dragen (art. VI.44 WER). De betaler kan in die tweede fase alsnog volledig aansprakelijk worden gesteld indien er sprake is van fraude of een grove nalatigheid. In voorkomend geval kan de bank dan de uitgekeerde bedragen terugvorderen. De betalingsdienstaanbieder kan evenwel niet wachten om de rekening van de betalingsdienstgebruiker opnieuw te crediteren tot er definitief uitsluitsel bestaat over de draagwijdte van de aansprakelijkheid van de betaler. Discussies over de vraag of de betaling al dan niet toegestaan was, dan wel of er sprake is van een ‘grove nalatigheid’, horen immers thuis in de tweede fase.

Blijft uw bank echter de onmiddellijke terugbetaling weigeren? Contacteer zo snel mogelijk. De 3 Advocaten voor een onmiddellijk en daadkrachtig optreden.

Wat betekent deze uitspraak voor de praktijk?

Deze beschikking vormt een belangrijk steunmiddel voor slachtoffers van phishing en kan dienen als sterke juridische basis om verdere stappen te ondernemen. Het bevestigt de onmiddellijke terugbetalingsverplichting én benadrukt dat banken zich niet zomaar kunnen verschuilen achter complexe aansprakelijkheidsonderzoeken om de terugbetaling op de lange baan te schuiven. Het principe ‘eerst terugbetalen, daarna procederen’ krijgt hierdoor rugwind.

Daarnaast erkende de voorzitter in kort geding het spoedeisend karakter van de vordering, waardoor het vonnis een belangrijk precedent vormt om een vordering tot onmiddellijke terugbetaling af te dwingen voor de rechter in kort geding. Volgens de voorzitter van de Ondernemingsrechtbank te Antwerpen volgt de hoogdringendheid immers uit de tekst van de wet zelf: de wetgever heeft bewust gekozen voor uiterst korte termijnen van terugbetaling, zodat de mogelijke niet-naleving ervan en de vraag tot herstel uit haar aard zelf dringend is. Evenwel is er ook tegengestelde rechtspraak: zo verklaarde de voorzitter van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel op 10 juni 2026 een vordering tot onmiddellijke terugbetaling ongegrond wegens gebrek aan spoedeisendheid. Volgens deze rechter volgde het spoedeisend karakter immers niet uit de wet zelf.

Hoe kan de onmiddellijke terugbetaling worden afgedwongen?

Een bank verplichten tot onmiddellijke terugbetaling kan zowel via een voorlopige maatregel op grond van artikel 19, 3e lid Ger.W. in het kader van een procedure ten gronde, als in kader van een kortgedingprocedure. De meerwaarde van de kortgedingprocedure ligt evenwel in de mogelijkheid om op een heel korte termijn een rechterlijke bescherming te verkrijgen.

Of uw vordering tot terugbetaling al dan niet mogelijk is via een procedure in kort geding vereist een grondige analyse van uw dossier. Neem gerust contact op met ons kantoor voor een gespecialiseerd, doch geheel vrijblijvend advies.

Wat kunnen De 3 Advocaten voor u betekenen?

Wordt u geconfronteerd met geweigerde terugbetalingen na bankfraude of phishing, of weigert uw bank gehoor te geven aan de wettelijke termijnen? Onze medewerkers staan altijd voor u klaar om uw dossier grondig te analyseren en uw rechten kordaat te verdedigen.

Wacht niet af. Neem vandaag nog contact met ons op voor deskundig juridisch advies en een efficiënte ondersteuning op maat.

Bericht delen